YOUNGCAPITAL
BLOG


Artikel

Je eerste werkdag: zo is-ie in je hoofd

Door Eveline Praal op 13-03-2018
0 reacties | 4925 views

“Zal ik stiekem in m'n broek zeiken of toch vragen waar de wc is?” 

Hoe leuk zou het zijn als je op je eerste werkdag gewoon relaxed kon komen binnenwandelen, doodgemoedereerd een praatje zou maken en ongegeneerd jezelf kon zijn? Maar nee hoor, eerste werkdagen zorgen voor paniek in je hersenpan. En dat ziet er zo uit: 

Jezelf voorstellen

In jouw hoofd

Ze kijken allemaal naar je, vol verwachting. Kom op, energie uitstralen. Zelfverzekerd zijn. Lachen. Shit, waarom stotter je nou bij die elevatorpitch? Die heb je gister nog geoefend! Oké let it go, smizen en improviseren. 

Hand geven of niet? Ja, deze wel. Doseren! Te slap en hij denkt dat je suf bent. Te hard knijpen en je doet hem pijn. Hoe heet je ook alweer? Joost. Juist. Achternaam ook maar? Of is dat te formeel. Nee, oké. Gewoon kort en krachtig: Joost. Blijf maar glimlachen. En kijk even weg, anders vindt hij je een creep. Snel, zeg iets grappigs om het ijs te breken.

Poeh, dat heb je weer overleefd. Oh shit, hoe zei ze nou dat ze heette?

Voorstellen

In het hoofd van je collega’s

Is dit onze nieuwe collega? “Hoi! Ik ben Sander.” 
Zo, die Joost geeft een stevige hand. Hey, zijn dat dropjes op het bureau van Michael?

De wc

In jouw hoofd

Al een uur probeer je het te onderdrukken, maar nu gaat het écht niet meer. Je hebt twee opties: in je broek zeiken of je mond opentrekken. Met een rood hoofd vraag je beschaamd: “Waar is de wc?” 

Nu is het zover. Nu weet iedereen dat jij naar de wc gaat. Stellen ze zich jou voor, op die pot. En zodra je weggaat van je plek, bespreken ze met elkaar wat ze van je vinden. Misschien maken ze wel grappen over je. Of over jou op de pot.

In het hoofd van je collega’s

“Waar is de wc?”, vraagt de nieuwe. 
“Aan het eind van de gang links.”

Lunch

In jouw hoofd

Je bent extra vroeg opgestaan, omdat je je niet wilde hoeven haasten op je eerste werkdag. Daardoor is je ontbijt ook al tegen elven verteerd. Je bent niet op je best als je hangry bent. En tot je grote schaamte begint je maag te knorren. Tien minuten later ben je klaar om je collega’s door elkaar te schudden terwijl je roept: “WORDT ER HIER OOIT NOG GELUNCHT?”

Je besluit in plaats daarvan hard met je hand tegen je maag te duwen, zolang de marteling duurt. Na een uur, waarin je ook vergeefse pogingen hebt gewaagd om door de grond te zakken, is het dan eindelijk lunchtijd. 

Een lopend buffet. In de rij. Met collega’s die je niet kent. Die allemaal zien dat je nieuw bent en loeren naar wat jij op je bord doet. Niet te veel, je moet geen vreetzak lijken. Maar ook niet wéér gaan knorren na een uur. Alles wat op of tussen je tanden kan blijven zitten valt af. Rosbief, filet americain, chocopasta… Alles wat lekker is, is een slecht idee. Shit, ben je nou te lang aan het nadenken? De mensen achter je worden ongeduldig. Pak gewoon snel wat! 

Je probeert niet beteuterd te kijken naar je bruine boterham met kaas als je collega’s met hun jaloersmakende broodjes rosbief met truffelmayo, rucola en Parmezaanse kaas naast je neerploffen.

In het hoofd van je collega’s 

Honger. “Zullen we eten?”
“Ja.”
“Chill, er is rosbief.”

De telefoon opnemen

In jouw hoofd

Je had hem al meteen in de gaten: de vaste telefoon. Dreigend stond hij naar je te loeren vanaf de hoek van je bureau. Dat jullie geen maten zouden worden, wist je direct. Maar dat hij zo doortrapt was om op je eerste werkdag te gaan rinkelen, ging zelfs jouw fantasie te boven. Maar nu doet hij het toch echt. 

In sneltreinvaart beleef je de vijf fases van rouw. Want je spontane zelf, die is inmiddels overleden.

  • Ontkenning: ‘Het is niet jóuw telefoon die gaat…’ 
  • Boosheid: ‘Goddamnit welke debiel belt nou een verkeerd nummer?’
  • Weerstand: ‘Dit méén je niet. Ze kunnen alles aan me vragen, maar dit gaat te ver!’
  • Depressie: ‘Oh ik kan dit niet. Totale loser. Het komt nooit meer goed. Laat me rustig in een hoekje wegkwijnen.’ 

Op het moment dat je het stadium ‘aanvaarding’ bereikt, realiseer je je dat je hele team geërgerd naar je opkijkt. “Ga je die nog opnemen?” vraagt je manager. Slik. Wat als je begint te piepen? Weg reputatie, weg doorgroeikansen, weg toekomst. 

En is die telefoon je nou grijnzend aan het aankijken?

In het hoofd van je collega’s

De telefoon gaat. Oh, het is die van de nieuwe. Die ziet er trouwens een beetje pips uit vandaag. 

Naar huis gaan

In jouw hoofd

Nou, dat was je het dagje wel. Vermoeiend! Je hebt alles gedaan wat je kon doen. Handboek al drie keer gelezen. Gedaan alsof je druk was. Geen moment op je telefoon gekeken. Je vindt het wel welletjes. Waar zijn die collega’s nou nog mee bezig? 

Je wilt naar huis. Je moeder bellen. Maar je kunt nu natuurlijk niet met goed fatsoen weggaan, als de rest nog keihard zit te buffelen. Wanneer komt je manager met het verlossende woord? Doe alsof je nog bezig bent met iets, het moet niet lijken alsof je hier zit te wachten tot je weg mag. Há, nee. Dat zou triest zijn.

In het hoofd van je collega’s 

Shit, is het al zo laat? Nou moet ik haasten voor de bus. Hey, zit de nieuwe daar nou nog? “Nou, ik moet er vandoor. Tot morgen hè?"

Reacties

Er zijn nog geen reacties, ben jij de eerste die een reactie plaatst?


Plaats jouw reactie